U bent hier:

Concentratie van kindprobleem naar leeromgevingsvraagstuk

Achtergrond

Wie vandaag over concentratie bij leerlingen schrijft, kan niet meer volstaan met de vraag: “Waarom let deze leerling niet op?” De betere vraag is: “Welke omstandigheden maken aandacht mogelijk en welke breken het voortdurend af?” Concentratie is geen vaste eigenschap van een kind, maar een kwetsbaar samenspel van motivatie, executieve functies, te weinig slaap, emotionele veiligheid, instructiekwaliteit, beweging en prikkelregulatie. Juist daarom is het thema in 2026 actueler dan ooit.

 

Telefoonbeleid op scholen

De meest zichtbare ontwikkeling blijft het telefoonbeleid in scholen. In Nederland mogen mobiele telefoons, tablets en smartwatches sinds 1 januari 2024 niet meer worden gebruikt in het voortgezet onderwijs, tenzij ze nodig zijn voor de les, vanwege een beperking of om medische redenen. De Rijksoverheid motiveert de afspraak helder: mobiele telefoons leiden af, verminderen concentratie en kunnen leerprestaties schaden.

Recente resultaten vo

De recentste Nederlandse monitor laat zien dat het beleid effect heeft, maar ook dat het geen wondermiddel is. Volgens het Kohnstamm Instituut (2025) heeft in het voortgezet onderwijs 99 procent van de scholen inmiddels mobielbeleid. Het aandeel scholen dat niet-educatief telefoongebruik als probleem ziet, daalde van 62 naar 29 procent. Schoolleiders rapporteren positieve effecten op concentratie bij 75 procent, op het sociaal klimaat bij 59 procent en op leerprestaties bij 28 procent. Tegelijk noemen leraren ook keerzijden: meer handhavingswerk, aanpassingen in communicatie en soms een toename van fysiek pest- of verstorend gedrag.

Resultaten uit po

In het basisonderwijs is het beeld anders. Daar heeft 89 procent van de scholen mobielbeleid, maar omdat jonge leerlingen hun telefoon al minder vaak meenemen naar de klas, zien veel basisscholen geen groot effect op concentratie of prestaties. Wel ziet 23 procent een positief effect op welbevinden en school- of klasklimaat. In het gespecialiseerd onderwijs wordt op 93 procent van de scholen beleid gehandhaafd. Vooral in het vso en (v)so worden positieve effecten gemeld: 53 procent van de vso-scholen en 45 procent van de (v)so-scholen ziet een positief effect op concentratie en oplettendheid.

Internationaal perspectief

Nederland staat hierin niet alleen. UNESCO meldde in maart 2026 dat inmiddels 114 onderwijssystemen een nationaal verbod of nationale beperking op mobiele telefoons op school kennen. Dat is 58 procent van de landen wereldwijd. Ter vergelijking: in juni 2023 was dat nog minder dan een kwart en begin 2025 ongeveer 40 procent. De internationale trend is dus duidelijk, maar de pedagogische vraag blijft: wat doen scholen ná het wegnemen van de grootste afleider?

Die vraag is belangrijk, want digitale afleiding is breder dan de telefoon alleen. PISA-gegevens van de OECD laten zien dat gemiddeld 30 procent van de 15-jarigen in OESO-landen aangeeft dat leerlingen in de meeste of elke wiskundeles worden afgeleid door digitale apparaten. Ongeveer een kwart meldt afleiding door medeleerlingen die digitale apparaten gebruiken. Leerlingen die meer dan een uur per dag op school digitale apparaten gebruiken voor ontspanning, scoren volgens dezelfde analyse meer dan 9 PISA-punten lager op wiskunde dan leerlingen die daar geen tijd aan besteden. Voor doordeweeks gebruik van sociale netwerken, online communicatie of internet voor plezier gaat het om 5 tot 20 punten lager, afhankelijk van duur en activiteit.

Nieuw onderzoek maakt het beeld specifieker. Niet alle schermgebruik is hetzelfde. Een longitudinale studie in Pediatrics Open Science volgde 8.324 kinderen vier jaar lang, vanaf een gemiddelde leeftijd van 9,9 jaar. Gemiddeld besteedden zij dagelijks 2,3 uur aan televisie of video’s, 1,4 uur aan sociale media en 1,5 uur aan videogames. Juist sociale media hingen samen met een geleidelijke toename van onoplettendheid; voor televisie/video’s en videogames werd dat verband niet gevonden. De onderzoekers benadrukken dat het effect klein is op individueel niveau, maar op populatieniveau relevant kan worden.

Slaap van essentieel belang

Een tweede actuele ontwikkeling is de hernieuwde aandacht voor slaap. De CDC stelt dat voldoende slaap leerlingen helpt om gefocust te blijven, de concentratie te verbeteren en beter te presteren. De aanbevolen slaapduur is 9 tot 12 uur per etmaal voor kinderen van 6 tot 12 jaar en 8 tot 10 uur voor jongeren van 13 tot 18 jaar. Een grote studie uit 2025 onder ruim 54.000 achtstegroepers in Shanghai vond dat 7 tot 9 uur slaap samenhing met betere schoolprestaties, met rond 8 uur als algemeen gunstig punt. De onderzoekers vonden bovendien dat huiswerktijd en schermgebruik negatief samenhingen met slaapduur.

Daarmee komt schermbeleid ook buiten de school in beeld. De Rijksoverheid publiceerde niet voor niets een Richtlijn gezond schermgebruik. Daarbij werd intensief scherm- en socialemediagebruik in verband gebracht met onder meer slaapproblemen, paniekaanvallen, depressieve klachten, verminderde concentratie en een negatief zelfbeeld. Het advies om sociale media pas vanaf 15 jaar te introduceren is daarmee geen onderwijsmaatregel in strikte zin, maar raakt de klas wel direct: vermoeide, overprikkelde leerlingen leren minder gemakkelijk.

Derde ontwikkeling

Een derde ontwikkeling is het aandachtsdebat. Stilzitten werd lang gezien als voorwaarde voor concentratie, maar bewegen kan juist helpen bij zelfregulatie. Er wordt tegenwoordig geadviseerd kinderen en jongeren intensief te laten bewegen. Een meta-analyse uit 2025 naar kinderen en adolescenten met neuro-ontwikkelingsstoornissen vond significante positieve effecten van fysieke activiteit op executieve functies, waaronder cognitieve flexibiliteit, inhibitie en werkgeheugen. De onderzoekers benadrukken wel dat type, duur en frequentie zorgvuldig en per persoon moeten worden ontworpen.

Kunstmatige intelligentie

Tot slot komt kunstmatige intelligentie snel de klas binnen. AI kan leerlingen ondersteunen met voorlezen, samenvatten, plannen, feedback en adaptieve oefening. Voor inclusief onderwijs biedt dat kansen, vooral voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften. De OECD waarschuwt tegelijk dat AI-systemen ethisch, veilig, duurzaam, controleerbaar en goed gemonitord moeten worden ingezet. UNESCO pleit voor een mensgerichte en leeftijdspassende benadering, met aandacht voor privacy, pedagogische validatie en duidelijke regelgeving.

De conclusie voor leraren, remedial teachers en schoolleiders is helder: concentratie is geen los probleem in het hoofd van de leerling. Het is een ontwerpvraag. Wie aandacht wil versterken, werkt aan een prikkelarme start, een helder leerdoel, korte instructie, actieve verwerking, geplande beweging, slaapbewustzijn, voorspelbare routines en digitale middelen die alleen worden ingezet wanneer ze het leren echt verdiepen. De leerling van nu heeft niet simpelweg minder aandacht dan vroeger; hij of zij groeit op in een omgeving die aandacht voortdurend onder druk zet. Juist daarom verdient concentratie doelgericht, inclusief en wetenschappelijk onderbouwd onderwijsontwerp.